Het molecuul dat de drager is van de erfelijke instructies voor het maken van een levend organisme. Het DNA is gelokaliseerd in de celkern en bepaalt de structuur, de functie en het gedrag van de cel.
Abnormale vergroting van een lichaamsdeel of orgaan die niet is ontstaan als gevolg van tumorgroei. Bij een hypertrofie zijn de cellen niet in aantal maar in omvang toegenomen.
De waarneembare kenmerken (zoals kleur van de ogen) die het resultaat zijn van de interactie tussen het genotype (de genetische opmaak van een organisme) en biologische omgevingsfactoren.
Een stukje DNA dat zich bevindt op een specifieke locatie op een chromosoom. De mens heeft ongeveer 25.000 genen; elk gen bevat instructies voor een specifieke lichaamseigenschap of -functie.